“Ik kan overal drama van maken”
Geplaatst op: mei 17, 2011 Gearchiveerd onder: Interviews Laat een reactie achter »
Hij is ‘niet meer zo piep’, maar schrijver zal hij altijd blijven. Eli Asser, het brein achter de eerste Nederlandse tv- en radiosuccessen, vertelt over zijn oude dag. ‘Elke dag moet er een verhaaltje zijn.’
Als ik Eli Asser de hand schud, zegt hij dat hij net twee weken griep heeft gehad. Hij heeft de afgelopen tijd alleen maar binnen gezeten. ‘Je treft mij in een mineurstemming’, zegt hij snotterig. ‘Niet zo’n ideaal moment om te kijken of meneer Asser wel echt zo grappig is als hij beweert te zijn. Dat ben ik ook niet op het ogenblik.’
Eli Asser, inmiddels 86 jaar, is een legende op het gebied van Nederlandse amusementsprogramma’s. Met zijn grootste succes, Het Schaep met de Vijf Pooten, wist Asser de mensen aan de buis gekluisterd te houden. Assers lichtvoetige humor maakte vele kijkers en luisteraars aan het lachen. En dat terwijl hij zelf niet altijd een rooskleurig bestaan heeft gehad. Niet alleen deze paradox, maar ook de eindeloze gedrevenheid van deze schrijver, is intrigerend. Zelfs op zijn huidige leeftijd is hij nog aan het schrijven voor een theatervoorstelling: ‘De niet meer zo piep-show.’
In 2006 werd Asser nog uitgenodigd door de Volkskrant om een aantal dagen een blog bij te houden. ‘Eigenlijk is het te gek wat er nu weer gebeurt’, schreef hij in zijn eerste blogbericht. ‘Vorige week vrijdag was ik jarig, ik werd 84 en had met mezelf afgesproken, dat het nu wel mooi genoeg was geweest. Een ploeg van RTL-4 (van het befaamde elite-programma Boulevard) is bij mij thuis wezen filmen, ik heb ze mijn hele flat laten zien, mijn archiefkast voor ze ondersteboven gehaald, de 82 mappen van de afgelopen 64 jaar binnenstebuiten gekeerd en ik heb me daarna, toen ze vertrokken waren, heilig voorgenomen, de eerstvolgende 12 maanden in retraite te gaan, nergens meer over na te denken, geen letter meer op papier te zetten, een sabbatical year, dat was toch wel het minste waar ik voor in aanmerking kwam, als man van mijn leeftijd.’
Als ik meneer Asser met dit citaat confronteer, schiet hij in de lach. Van die retraite is weinig terecht gekomen. Zoals hij in het KRO-programma Profiel nog zei: ‘ik ben een schrijver, en ik zal altijd blijven schrijven. Tot aan mijn dood, of misschien nog wel langer.’
Waar heeft u zich sinds die Volkskrantblog mee bezig gehouden?
Sinds enkele weken ben ik bezig met het schrijven van liedjes voor een nieuwe theatershow: De niet meer zo piep-show.
De niet meer zo piep-show?
Uitgangspunt van de show is: pluk je oude dag. Maar soms is de show ook een beetje klaaglijk, dat de mensen wat zitten te zeuren. Ik herschrijf oude liedjes, maar ik bedenk er ook nieuwe bij. In mei gaan de acteurs repeteren. En in het najaar, in september geloof ik, is de première. Ik wil daar graag bij zijn. Verder ben ik ook gewoon blijven schrijven. Die Volkskantblog vond ik heel leuk om te doen. Ik heb eigenlijk heel veel van die berichten geschreven in mijn leven. Ook vroeger, toen ik bij de krant werkte, schreef ik over mijn belevenissen in de stad. Ik vond het heerlijk om daar over te schrijven. En toen ik dit weer schreef, voelde ik mij als een vis in het water. En nu, als ik hier door Amsterdam loop, maak ik nog steeds iedere dag wat mee. De afgelopen dagen misschien niet, door die veertig graden koorts. Maar ook dat is weer een belevenis. Het gekke is, het zou me heel leuk lijken, maar ik kom er niet meer toe om een soortgelijke rubriek over mijn belevenissen op te zetten.
Waarom niet?
Misschien komt dat omdat je denkt: wie is er nou geïnteresseerd in het verhaal van een oude man die verhaaltjes verzint van wat ‘ie op de trap tegenkomt? Ik durf ook niet zo diep in te gaan op het leven van een 86-jarige, die steeds maar te horen krijgt: ‘goh, ben je nou al 86? Je ziet eruit als 84.’ Mensen hebben allemaal opmerkingen over je leeftijd en hoe het nog mogelijk is dat je nog zulke heldere dingen zegt. Of ik verbeeld dat mensen dat zeggen, dat zou ook nog kunnen, dat weet ik niet. Maar nee, ik kom er niet meer toe om zo’n rubriek te schrijven.
Dus u heeft er geen behoefte aan om nu nog een groot werk op te zetten?
Grote romans schrijven moet je niet meer willen. Maar ik heb één keer in een opwelling Het Parool gebeld, met het idee weer een rubriek op te zetten. Dat is inmiddels al weer jaren geleden. Het Parool riep: ‘tuurlijk, moet je doen!’ Toen ben ik ervan geschrokken en heb ik het toch maar niet gedaan. Zo’n heel werk over een oudere man, die dan maar in de stad zit en die dan de ontwikkeling van zijn leven meemaakt, en de afwikkeling van zijn leven, bovendien. Misschien is het een beetje angst voor het onvermijdelijke, dat ik daar niet over wil schrijven… Ik weet het niet. Ik doe het niet. Ik publiceer althans niet.
Nou heeft u voor verschillende media geschreven: tv, waaronder ’t Schaap met de Vijf Pooten natuurlijk, maar ook voor radio en toneel. Heeft u een voorkeur voor een medium?
Als ik het heel eerlijk mag zeggen: toneel. Toneel leeft, het is een levend ding. Er zit een publiek, er kan iets fout gaan, er kan van alles gebeuren. Theater heeft een enorme spanning, de spanning van het moment. Voor de acteurs is het een spannende race, het is een wedstrijd om de finish te halen, en ze halen het bijna altijd. Het is leuk om die spanning mee te maken met de mensen die zich daar een avond voor inzetten. Vooral bij de première. En komt er applaus aan het slot, dan is dat een heel aangename opluchting. Televisie is ook wel leuk hoor, dat is een veel massalere opkomst van publiek… Ik heb natuurlijk laatst dat Schaep met de Vijf Pooten * weer gedaan, maar dat is niet eens meer mijn werk. Dat wordt nu door anderen geschreven…
* Het Vrije Schaap is een serie nieuwe afleveringen van Het Schaep met de Vijf Pooten, maar dan speelt het zich in de jaren zeventig af. Het scenario is geschreven door Frank Houtappels, maar de karakters zijn hetzelfde gebleven. Het Vrije Schaap eindigde in februari 2009.
Wat vindt u daar eigenlijk van, dat werk, waarvan de essentie bij u lag, door anderen wordt geschreven?
Ja, daar heb ik wel mijn bedenkingen tegen. Soms rommelen ze er een beetje mee aan… Maar toch is het een stukje van mezelf. Ik heb dat ooit neergelegd. Ik heb die karakters gecreëerd en die in een bepaalde sfeer tegenover mekaar gezet, en dat is niet veranderd. Tante Doortje, Lucas, Koosje de Beer… Die namen zijn mij vertrouwd geraakt. Dus als ik die namen weer hoor, en ik hoor die stemmen die klinken zoals ik dat heb bedoeld, dan komt er toch iets van mezelf terug.
Uw werk bevat veel humor, u heeft veel mensen aan het lachen gemaakt.. Wie kan u aan het lachen maken?
Ik kan niet echt lachen om de moderne humor die ik zo nu en dan via de tv tot me krijg. Noch om humor in de krant of in boeken. Ik heb een ander gevoel voor humor. Misschien ga ik niet met de tijd mee. Of gaat de tijd niet met mij mee. De tijd heeft helemaal geen zin om met me mee te gaan: zij weet waar ik heen ga. En de tijd blijft, ik niet. Nee, de humor van de mensen nu, dat is niet de mijne. Bovendien tref je me niet op m’n vrolijkst vandaag, want vanmorgen was ik heel somber.
U was vanmorgen heel somber?
Ik werd echt heel somber wakker vandaag. Ik dacht: ‘gadverdamme, waar doe je het allemaal voor? Waarom zijn we hier eigenlijk?’ Je voelt jezelf langzaam wegdrijven in iets waar niemand naar je taalt en aan je denkt. En al je geld, dat zie je dan ook als sneeuw voor de zon verdwijnen. Ik denk ook: ‘hoe moet dat als dat helemaal op is?’ Dan zal ik ook wel op zijn, denk ik. Mijn geld en ik, dat gaat ongeveer gelijk op… Ik ben al een hele tijd niet in Amsterdam geweest. Ik ga eigenlijk voor het eerst vanmiddag weer eens boodschappen doen. Amsterdam is ver weg. Ik zit hier in een flat en ik heb hier niks te maken met Amsterdam. De gordijnen zijn gesloten, ik zou ze eigenlijk helemaal dicht moeten doen vanwege de felle zon en de koorts. Ik leef eigenlijk op een eilandje hier. Op een heel klein eilandje.
Komt dat niet gewoon door de griep? Uw kennissen beschrijven u als een levenslustige man. Normaal bent u veel in uw stamcafé te vinden.
Ik ben van plan die gewoonte gauw weer op te pakken. Dat café in Amsterdam, ik zit er bijna dagelijks. Ik heb er een vast plekje. Ik voel me er thuis. Het is een lekker plekje. Er komen mensen die ik goed ken, maar ook nieuwe mensen. Ik heb dat nodig. Vooral nu ik net griep heb gehad en alleen thuis zit, realiseer ik me dat. Zo nu en spoelen er wat nieuwe drenkelingen aan. Die geef je dan even wat te drinken, je strijkt ze over hun bol en dan verdwijnen ze weer in het niets. Het is een soort visplekje waar je zit te wachten tot je beet hebt. En als je dan een goede partner vindt waar je gezellig mee kan praten… Dan ontstaat er weer iets, dan ontstaat er weer een sprookje. Elke dag moet er een verhaaltje zijn, dat vind ik wel.
Welke rol speelt uw huidige partner daarin?
Mijn vriendin heeft het niet makkelijk. Ik ben 65 jaar getrouwd geweest met een andere vrouw… Daar kun je moeilijk tegenop. Maar daar staat tegenover dat ze een stuk jonger is dan ik. En ja, vaak sleurt zij me dus mee: ‘kom op, we gaan wandelen!’ We hebben een huisje ergens buiten in de duinen. Daar gaan we misschien morgen al heen, als ik me dan weer wat beter voel. Mijn vriendin en ik hebben het heel gezellig samen. We voelen mekaar goed aan. Dat hoop ik nog een tijdje zo te houden.
Heeft u ooit een dag gehad waarop u niet wist waarover u kon schrijven?
‘Nee. Ik verveel me ook nooit. Dat lijkt me iets vreselijks, vervelen. Er is altijd wel iets om over te schrijven. Bijvoorbeeld over deze schoenen… Die veters zijn te lang, ik moet altijd weer een manier vinden om ze zodanig te strikken dat ze niet tot de vloer komen. En iedereen maar weer zeggen: ‘kijk uit dat je niet struikelt!’
Eli Asser glimlacht om zijn vermogen om van een mug een olifant te maken. ‘In wezen gaat mijn werk over zulke kleine dingen. Ik kan overal drama van maken.’